Het wonder van Titus Brandsma kreeg gestalte

De Titus Brandsmakapel in Nijmegen

Architect Pieter Dijkema ontwierp in 1960 een kapel ter nagedachtenis aan de in Dachau vermoordde Titus Brandsma. Het gebouw in de Nijmeegse benedenstad dat van buiten sober is als een monnikskleed refereert aan een concentratiekamp en symboliseert hoop ten tijde van diepste wanhoop. Pater Reehuis ging jarenlang voor in de mis: “Ik voelde me verbonden met de mensen die vanwege hun geweten naar een concentratiekamp werden gestuurd.

Late roeping
Op een ochtend in 1988 stond parochiaan Jopie Roosendaal voor een gesloten deur van de Titus Brandsma gedachteniskapel in Nijmegen. ‘Pater Hagen is overleden en er is geen dienst meer’ zei ze tegen de passerende Paul Reehuis. Hij antwoordde dat hij een oplossing zou bedenken om de diensten voort te kunnen zetten. Pater Reehuis is op dat moment pastoraal werker in de Nijmeegse benedenstad: ‘In 1961 ben ik ingetreden bij de Karmelieten, maar ik ben pas heel laat priester gewijd. Ik was provo en anti-klerikaal. Daarom schrok ik ervoor terug om priester te worden, want ik dacht dat mensen me dan niet serieus konden nemen. Dat vond ik oneerlijk van me en bovendien, ik was helemaal nog niet volwassen. Wat moest ik tegen mensen zeggen als ze hun zonden bij mij beleden, of hun hart bij me uitstortten?’

“Ik was provo en anti-klerikaal, dus ik dacht dat mensen met niet serieus zouden nemen als priester.”

De weg die de pater zou bewandelen is er een met dalen. Hij gaat studeren, doet een bijbelstudie en gaat aan de slag als godsdienst leraar op een middelbare school. Daar brak een moeilijke tijd aan. Reehuis wordt de zondebok van de school en het mikpunt van pesterijen. Leerlingen maken zijn werkdagen tot een lijdensweg, ze steken zijn fietsbanden keer op keer lek. ‘Daar ben ik hartstikke ziek van geworden, waardoor ik een jaar lang niets meer kon doen.’ Na een tijd zoekt de pater hulp, bij zijn huisarts en bij de pastoor van de benedenstad. De parochiekerk in de benedenstad was juist afgebroken en alleen de Titus Brandsma kapel stond er nog. Reehuis: ‘Ik ging aan de slag als pastoraal werker en ben mensen huis aan huis gaan bezoeken. Als ik aanbelde dan werd er een stortvloed aan kritiek over de Katholieke Kerk over me uitgestort, maar het lukte me ’t vertrouwen van de bewoners de winnen. Op den duur lieten de mensen me binnen en zodoende kreeg ik een band met ze. Van ieder adres kende ik de bewoners bij voor- en achternaam en die herinner ik me nu nòg.’ 

Ontwerptekening Titus Brandsma gedachteniskapel

Als Jopie Roosendaal in 1988 voor de deur van de Titus Brandsma kapel staat en zich zorgen maakt over de gebedsdienst in de kapel, omdat de voorganger is overleden, is Pater Reehuis al een tijdje werkzaam als pastoraal werker in de parochie. Hij komt met een oplossing: met hulp van het echtpaar Roosendaal gaat hij iedere morgen om 9 uur, in de woorddiensten voor. ‘Wanneer ik als diaken, en later priester, voorging in de dienst dan voelde ik me door het gebouw en haar symboliek verbonden met de mensen die vanwege hun geweten werden opgepakt en naar het concentratiekamp gestuurd werden. En dan gaat het niet alleen om Christenen, maar om iedereen die vanwege z’n overtuiging opgepakt werd.’

Verzet in Gods naam
Titus Brandsma, was geestelijk adviseur van de Nederlandsche Rooms-Katholieke Journalistenvereeniging. Bovendien publiceerde hij artikelen en opiniestukken in Dagblad de Gelderlander, waarvan de redactie gevestigd was in de Nijmeegse benedenstad, vlak naast het Doddendaal klooster waar Brandsma woonde. Met een door hem zelf geschreven brief bezoekt de karmeliet eind 1941 de vaderlandse katholieke pers. Hij wil de redacties ervan overtuigen om niet samen te werken met de N.S.B. Het lukt, de pers geeft gehoor aan zijn oproep, maar het brengt Titus ernstig in de problemen. De Duitse bezetters hielden de pater al een tijd in de gaten en deze daad van verzet wordt aangegrepen om hem te arresteren. Bij de toegangspoort van de Gelderlander wordt hij in januari 1942 in de boeien geslagen en overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen en van daaruit naar concentratiekamp Dachau waar hij In juli van hetzelfde jaar overlijdt.

‘Het is de architect gelukt om van een cel een kerk te maken en van een concentratiekamp een zingevende ruimte.”

Een belangrijke initiatiefnemer van de kapel ter nagedachtenis van Titus Brandsma was Louis Frequin, toenmalig hoofdredacteur van de Gelderlander. Frequin was verzetsman in de Tweede Wereldoorlog en verspreidde als journalist berichten via door hem opgerichte illegale kranten. Daarvoor werd hij opgepakt in 1944 en overgebracht naar de dodencel van kamp Vught. In afwachting van zijn executie bad de journalist tot Titus Brandsma, en vroeg hem om bescherming. Later toen Frequin vanuit de cel naar de executieplaats werd gebracht en voor het vuurpeloton stond, gingen de trekkers van de geweren over, maar er gebeurde niets. De geweren bleken niet geladen te zijn met kogels. Dat herhaalde zich een aantal keer zo, vertelde Frequin in een persoonlijk gesprek met Pater Reehuis: ‘Meneer Frequin heeft daar zijn hele leven last van gehad. Het kwam regelmatig voor dat hij ’s nachts ineens in paniek naast zijn bed stond, maar zijn vrouw wist hem steeds weer te kalmeren.’

Hoop kreeg gestalte
‘Van buiten sober als een monnikskleed, waarbij het silhouet een nauwelijks zichtbare bewogenheid vertoont. Het gebouw is eigenlijk enkel interieur, alleen door het mozaïek boven de deur treedt dit interieur naar buiten’ aldus architect Pieter Dijkema die het ontwerp maakt voor de kapel. Dat interieur is drieledig, men komt binnen in een hoogommuurde hof, die de eigenlijke kapel omsluit met aan het eind van de kapel, in het verlengde van de ingang, de absis. Pater Reehuis: Het gebouw lijkt een vierkant, maar wie oplet ziet dat het eigenlijk een achthoek is. Het getal acht heeft een bijzondere betekenis, zo zijn alle Griekse en Armeense kerken bijvoorbeeld achthoeken en is het de eerste dag van de Verrijzenis van Christus. Volgens mij heeft Dijkema op deze manier een combinatie gemaakt van een basiliekvorm, een cellenblok en de achtvoudige kerk. Zo heeft hij het vraagstuk willen oplossen hoe je van een cel een kerk kan maken en van een concentratiekamp een zingevende ruimte. Het gebouw symboliseert Kamp Dachau, waar Brandsma is overleden. Op het plein staat een pyloon met een kunstwerk van Frans Verbaak. De plastiek lijkt afhankelijk van de manier waarop je ernaar kijkt op een kruisbeeld en een mitrailleur en op deze manier vertegenwoordigd de pyloon hoop en wanhoop, de wachttoren van Dachau en de verlossing. De buitenmuur representeert de omheining van het kamp, waarbij de ruiten van staalglas die de omgang overkappen, het prikkeldraad voorstellen. Met de kapel daarbinnen als barak en de absis als dodencel. Het idee voor de dodencel kwam van Louis Frequin die daarmee zijn eigen ervaringen en herinneringen aan Titus vorm gaf. In de absis is een grote muurschildering van Christus die het laatste oordeel uitspreekt, aangebracht door schilder Jan van Eijk en aan de voet van de ruimte lag een steen met de inscriptie: “God spreekt het laatste woord en nood is zijn trouwe knecht.” Met deze woorden had Titus Brandsma de brief ondertekend waarmee hij de redacties rondging. Hij wilde daarmee tegen de journalisten zeggen dat ze hun baan zouden verliezen als ze weigerden samen te werken met de Duitsers, maar dat God uiteindelijk het laatste woord heeft.’

Absis met muurschildering van Jan van Eijk ©Bisdom ‘s Hertogenbosch

Als tegenstelling tot het gesloten, ontoegankelijke, bijna intimiderende exterieur is het interieur van de eigenlijke kapel juist heel open vormgegeven. De gebedsruimte ontvangt indirect licht door drie openingen in de muur. Je kan je niet aan de indruk onttrekken dat de architect hiermee de hoop letterlijk gestalte heeft willen geven. Alsof hij wilde zeggen dat, hoe erg het leven ook in duisternis gehuld kan zijn, ergens schijnt er licht dus blijf hoop houden. Tot 1998 is de Titus Brandsmakapel tot steun geweest voor slachtoffers van concentratiekampen. Vanuit het hele land reisden mensen af naar Nijmegen om hier hun verdriet te verwerken en te bidden bij de urn met crematieresten uit Dachau. Op den duur werd het voor de karmelieten steeds moeilijker om de plek voor devotie, stilte en gebed in stand te houden. Het klooster dat ernaast stond was al weg en het echtpaar Roosendaal kon het onderhoud vanwege ziekte niet meer uitvoeren. ‘Mensen durfden ook niet meer naar binnen. Als ik ’s avonds de kapel ging afsluiten dan moest ik verslaafden die er zaten te gebruiken weghalen. Het was er niet meer veilig’ volgens Reehuis.

Het wonder van Titus
De paters gaan op zoek naar een andere ruimte en vinden die in de Sint Josephkerk. In 1998 wordt het interieur uit de kapel naar buiten gedragen en naar het nieuwe onderkomen overgebracht. Een tijd lang leek het erop dat de kapel afgebroken zou worden, omdat er een plan voor woningbouw op tafel lag en op de plek van de devotie ruimte zou de ingang van een parkeergarage verrijzen. Na hevig protest van de buurt besloot de gemeente om het gebouw de gemeentelijke monumentenstatus te verlenen, te kopen en beschikbaar te stellen aan stichting het Kruispunt. Momenteel is de ruimte het domein van Lucy Geertman en haar straatpastoraat. Paul Reehuis: In de geest van Titus biedt de kapel nu plek aan verslaafden, daklozen en kwetsbare mensen en daar ben ik heel erg blij mee. Ik zie dat als een van de wonderen van Titus.’

Tekst: Rik Alexander
Header: Ger Loeffen

Recommended Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *